De TURFSCHIPPERS van de MOERKANT
door Han Smits 

 

Terug naar Historie
 

   
 

Inleiding

 

“Veen is land dat niet te betreden is en water dat niet te bevaren is.”

Zo beschreef de Romeinse geschiedschrijver Tacitus de omvangrijke hoogveengebieden die Nederland rond het begin van de jaartelling grotendeels nog bedekten.

 

Een stukje geschiedenis van de ”Moerkant” , van oudsher zo genoemd en waarvan de dorpen Drimmelen, Raamsdonk, Waspik, Capelle, Sprang, ’s Gravenmoer en Besooyen deel uitmaakten en dewelken toendertijd onder Holland behoorden.

 

Dit verhaal gaat over turf en tollen en natuurlijk over de schepen en schippers, die de turf vervoerden.

 

Het ambacht Twaalfdhalve hoeve.

In het jaar 1341 gaf de graaf van Holland 12 ½  hoeve woeste grond uit , ook genoemd: ‘wildernisse’, aan Gielis van Wendelnisse.

Dit was niet de eerste uitgifte van moer, er waren eerder moergronden uitgegeven in onze streek. Ik denk dan aan ’s Gravenmoer, Capelle en Raamsdonk.

Uit de laatstgenoemde uitgifte 12 ½ hoeve moer ontstond het ambacht Twaalfdhalve hoeve, ook wel genoemd 11 ½ hoeve, wat hetzelfde is. Men sprak in die tijd van 11 ½ hoeve of de twaalfde hoeve half.

Een hoeve was een grondmaat bestaande uit 16 morgen van 24 x 400 roeden. De roede als vlaktemaat was 14 m2.

De Rijnlandse morgen was  ruim 8516 m2 en ruim 4/5 are. Eigenlijk een hoeveelheid land, die in één morgen kon worden geploegd.

Het ambacht 12 ½ hoeve was gelegen tussen:

Noord: groot Waspik, dat ten noorden van de Oude straat lag.

Zuid: ’s Gravenmoer.

Oost: de huidige Schoolstraat, vroeger Kerkpad genoemd.

West: het ambacht Hendrik Luyten Ambacht, dat later bij Raamsdonk kwam en waar de naar dit ambacht genoemde Luijtenambachtstraat nog aan herinnerd.

 

Van de akte van uitgifte van het ambacht elf en een halve hoeve door graaf Willen IV te Geertruidenberg op 19 november 1341 is in 1389, door de Prior van de Kartuizers, een vidimus vervaardigd waarvan in 1567 te Waspik een authentiek  afschrift is geregistreerd.

Een vidimus is een gelegaliseerd afschrift van een oorkonde, wat een door de landsheer uitgevaardigd stuk is, waarbij rechten worden vastgesteld of voorrechten verleend.

                

                                        

 

               

 

Uit het Rechterlijk archief van Groot Waspik, bovenstaande verklaring van de broeder van het Kartuizer klooster te Raamsdonk.

Dit klooster was in 1336 gesticht door Willem van Duivenvoorde en werd in het jaar 1573 verwoest. Het werd het Hollandsche huis genoemd.

Hier volgt de transcriptie van het bovengenoemde stuk, waarbij het heel interessant is een kijkje te nemen in die tijd, ongeveer 80 jaar vóór de Elisabethsvloed.

 

Fol. 40. Den donderdach na Sinte Poncikensdag int jaar ons heeren duysent drie hondert een ende viertig.

Copia.

Ick broeder bonden Prior van Santroesen bij Sinte Geertruijdenberge maken condt allen luyden dat ick gesien ende gehoort hebbe  alsmen schreeff tjaer ons heeren duysent drie hondert negen ende tachtich opten dinsdaege nae ascensendach een hantvest gans ende geheel ende onbevlect, welbezegelt met eens hogen edelen princen zeegel Willems ‘tsgraeve van heynu van Hollant  van Zeelant ende ‘tsheere van Vriesland spreeckende van worde te worde als hier nae gescreve staet.

 

WILLAEM Grave van Heynu, van Hollant, van Zeelant ende heere van Vriesland maken condt ende kendelyck allen lude die nu sijn off namaels wesen sullen dat wij vercofft hebben

Gielis van Wendelsnise tot eenen rechten ende vrijen eygendom elffe hoeve ende een halff hoeve moers ende wildernisse die gelegen sijn bove den gerechte van GrootWaspijck streckende oostwaert aenden gerechten van CleijnWaspijck, Zuytwaert op een ??huegemens moer van Wendelnise westwaarts aen dat moer da bondun  (bondijn?)  van den Poele aen hem treckt ende Gielis sijn toegemeeten nevens dat moer vanden andere moer eenen wech ende lijde zeven roede breet strekkende tot optie Dongha.

Ende dese Elffe Hoeve ende een halff hoeve moers voirssz strecken noortwaert an die nyeuwe ca die gaet bove den gebueren landen van GrootWaspijck ende Gielis voorssz ende sijne erffenisse sullen tgerechte van desen moeren voirsz van ons ende van onse nacoemelingen houden tot eenen erffleene ende dese voirssz moer ende wildernisse sullen ontbelet haeren waterganc hebben ende behouden in die Dongha of in de Mase, ende voirt door den maesdamme sonder enigerande cost van dijcken of van sluijsen daer off te doen.

Voird waert dat sake dat hier naemaels eeniger ande luden quamen te woonen op desen moer ende wildernisse voirssz, die souden vrij sijn van beden ende van hervaerden het en waer off die van Waspijcke gemenlijcke quamen woonen optie moer so soude sij hervaerden ende bede gene geliick ander luden voerd die geene die naemaels comen te woonen op desen moer voirssz die sullen ons geven in onsen tolne tot Dubbelmonde van elcke geladen scepe met torve, eest groot eest cleyn, twee penningen Hollantse. Ende hierbij so en sullen sij ons geenen andere tolne geven tusschen Dordrecht ende ’s Hertogenwaalwijcke.

Voerd diegene die naemaels comen te woonen op desen moer ende wildernisse voirssz die sullen dien wech ende herstraete die opten moer gaet bruyken ende orbare met horen goede onverseijt gelike dattieandre doen die daer omtrent optie ander wildert wonachtig sijn ende van de vervallen ende van de vervallen ende moeren die verschijnen mogen namals op den moer ende wildernisse voirssz sullen wij ende onse nacomelingen behouden onse recht gelijcke als wij hebben in ander ambachten binnen onse lande van Zuythollant ende Gielis voirssz ende sine erffgenamen sullen haer recht behouden diere gelijcke eewelijcke duerende,

Ick orkonde desen brieve bezegelt met onze zegele gegeven tot Sinte Geertruydenberge die donderdaege na Sinte Poncikensdach int jaer ons heeren duysent drie hondert een ende viertich.

 

Ende omdat dit waer is zo hebben broeder bonden prior voerseyt dese lettere bezegelt met ons convents zegele int jaer ons Heeren dach voorssz.

 

Gecollationeerd tegens sijne origenaele uithangende bezegelden brieff ende is daermee bevonden t’accorderen bij mij

Mathijs Otgens.

Deze Mathijs Otgens was de schout van Groot Waspik.

 

Het schrift van het jaar 1567 is niet gemakkelijk te lezen, zelfs de transcriptie behoeft enige uitleg;

In het jaar 1341 wordt  Twaalfdhalve hoeve moergrond uitgegeven, waardoor later het ambacht ontstaat. Het is interessant te lezen dat er ook sprake is van al in gebruik zijnde moeren, grenzend aan Twaalfdhalve hoeve die al vroeger zijn uitgegeven en waar al eerder turf is gestoken. Heugemans moer en Boudijn van de Poele worden in dit verband genoemd. Er is sprake van een leie, dus een watergang, en een weg tot aan de Donge om de turf af te voeren naar de Maas. De Maas waarover gesproken wordt is niet het Oude Maasje, dit bestond nog niet voor de Elisabethsvloed, maar de middeleeuwse Maas die noordelijker lag, ongeveer waar later de Bergse Maas gegraven is.

Ook wordt vastgelegd, dat de mensen, die later op deze moer en wildernisse komen wonen, de weg en de herstrate mogen gebruiken en dezelfde rechten krijgen als de anderen, die al op de aanwezige moeren woonachtig zijn.

Ook de tol te Dubbelmonde wordt genoemd, wat verderop in dit verhaal besproken wordt.

 

Er is veel bekend over de uitgiften van moeren in onze streek, waarnaar de heer G.J. Rehm, oud archivaris van diverse gemeenten waaronder Waspik, onderzoek heeft gedaan.

In het jaar 1293 was er een uitgifte van moergronden waaruit het dorp ’s Gravenmoer is ontstaan. Turf was in de 13e en 14e eeuw nog een der voornaamste bronnen voor de energievoorziening.  Na uitmoering van de turfgronden zijn deze in cultuur gebracht en zo ontstonden in dit moerassige gebied langs de hoge zandrug die zich van Geertruidenberg tot Besooyen uitstrekte, de dorpen Raamsdonk, Waspik, Capelle en Besooyen.

 De eerste uitgifte van grond in het veengebied ten zuiden van de Heidijk bij Waalwijk, gelegen in het verlengde van de Zuid Hollandse dijk, geschiedde 7 juni 1293 door graaf Floris V aan Steven van Waalwijk, die hij met vijftien hoeven ‘wilderten’ in de Groten Ham beleende. De naam Ham is thans in Dongen nog in gebruik , maar die had aan het einde van de 13e eeuw op een veel groter gebied betrekking.

 

De tollen en de tollenaars.

De vroegste turfschippers van de moerkant, gevonden in de tolboeken, brachten hun turf naar de Hollandse steden.

Reeds vóór de Elisabethsvloed  van 1421 werd vanuit Twaalfdhalve hoeve turf vervoerd naar de Hollandse steden, die vertold werd te Almsvoet. Dit is een voormalige plaats, aan de monding van de Alm in de Oude Maas. Bedoelde plaats is op 18 november 1421 verdronken en was gelegen ter hoogte van Spijkerboor, thans een water in de Biesbosch tegenover Geertruidenberg. Hier lag het veer in de ‘Heerstrate’ van Dordrecht naar Geertruidenberg.

 

Wat zijn eigenlijk tollen?

Tollen zijn betalingen die men verschuldigd is, respectievelijk geld dat men betalen moet, voor zich, of goederen die men meevoert, om een bepaald gebied te mogen betreden of passeren.

De tollenaars hadden de tollen in pacht van de graaf, voor een bepaalde periode, en moesten door de tolheffingen aan de kost zien te komen.

Door de tolboeken te bestuderen kunnen  we een en ander te weten komen over het vervoer van goederen over het water en voor ons verhaal, in het bijzonder over de turfschippers van de Moerkant uit de hiervoor genoemde dorpen.

 

De tolboeken.

Er zijn niet veel tolboeken overgeleverd, vele zijn verloren gegaan.

De archiefstukken van de tollen, in het bijzonder de tolrekeningen, zijn van grote betekenis voor de kennis van de handel in een bepaalde periode en streek.

Soms werd het scheepstype uit vroegere perioden evenals de herkomst van de schipper of vervoerder in de tolrekeningen vermeld.

Het type schip was voor de tollenaar blijkbaar niet belangrijk, het werd zelden genoemd.

De tol werd berekend naar de waarde en de hoeveelheid van de vracht van het schip. Er moest zelfs tol worden betaald van een leeg schip, dat dan roertol werd genoemd.

Voor een nieuw leeg schip betaalde men brandtol. Dit genoemd naar de brand, spaanders en afvalhout dat ontstond bij de bouw van het schip op de scheepstimmerwerf.

Wij gaan de Hollandse tollen eens nader bekijken.

 

De tolplaatsen van Holland en Zeeland.

U ziet hieronder twee afbeeldingen met de ligging van de tollen vóór en na de Elisabethsvloed met rechtsonder op de afbeelding van ná 1421 de tol van vrouwkensvaart. Dit was een tolwacht .

 

                          

                                                vóór Elisabethsvloed

                        

                                                na Elisabethsvloed

 

De tollen werden onderscheiden in: tol, kleine tol en wachttol.

Bij de tol en de kleine tol werd tol betaald en bij de wachttol werd gecontroleerd óf er tol was betaald op de daarvoor bestemde plaatsen.

Er was echter een zekere onwil bij de schippers te constateren om de turf ter betaling van de impost (belasting of tolgeld, accijns) aan te melden. Het was vrij lastig, onwillige schippers te dwingen hun verplichting na te komen. Reeds in de Statenvergadering  van 7 juni 1560 was er sprake van “diversche” schippers, die te kwader trouw waren en weigerden de impost te betalen of het bewijs van betaling te tonen. Dat gebeurde vooral op het brede water bij de post aan de Lage Zwaluwe, waar de ruwe klanten “met gewelt gingen zeilen ende passeerden zonder aan te willen leggen”.

De collecteur ter plaatse werd daarom toegestaan “één ofte twee uitleggers (dit zijn wachtschepen) aan te schaffen daarop neemende zulk getal van volk, dat hij magtig zij, alle deselve te moogen aanhaalen, of ten minste eenige van hen luiden ende deselve te verwinnen (overmeesteren) en teegen hen te procederen na vermoogen het placaat (voorschrift) daar van sijnde”.

Op 5 februari 1561 ontvingen de Staten een rekening van de baljuw van Zuid Holland voor de uitrusting van zulk een schip met “geweer”. Het blijkt dat fraude zeer vaak voorkwam.

In 1565 werd namelijk bepaald dat de collecteur die te Zevenbergen zetelde “tot sijne hulp zou mogen neemen 3 of 4 mannen met geschut op sijn schip omme de onwilligen, die voorbij passeeren te doen betaalen”.

Er is een enkel verslag van de achtervolging van een onwillige schipper bewaard gebleven. De rekening van de Goudse collecteur van 1568/1569 doet namelijk mededeling betreffende de kostbare pogingen om een schip, dat bij Kortenoord turf over de dijk had ingenomen, te achterhalen.

Nadat de collecteur de deurwaarder van het Hof van Holland verzocht had “hem sterk te maken met ‘de dijenaars van de Goude’(de stad Gouda) ” zette men de achtervolging in tot aan de kop van de Hollandse IJssel .

Het verslag eindigt ietwat mismoedig met de mededeling dat “’t schip door den wijnt ontkomen was”.

 Er waren veel plaatsen waar tol moest worden betaald en men probeerde er nogal eens onderuit te komen.

 We zullen enkele tollen van Holland en Zeeland, waar de turfschippers van de Moerkant mee te maken hadden, in het kort bespreken.

 

De tol van Geervliet.

Geervliet lag ten westen van Brielle en was een Rijkstol door keizer Frederik, die regeerde als keizer van het jaar 1155 tot 1190, in leen gegeven aan graaf Floris III (regeerperiode 1157 tot 1190).

De schepen die van zee kwamen betaalden hier tol. Het was het handelsverkeer dat vanuit Frankrijk, Engeland, Schotland en Noord Duitsland over de Noordzee de Maas- en Scheldemonding opvoer richting Dordrecht of naar Vlaanderen en Brabant en van het handelsverkeer dat stroomafwaarts over Rijn, Waal en Maas via Dordrecht naar Vlaanderen en Brabant of naar de landen overzee voer.

Het tolhuis was gevestigd aan de belangrijkste scheepvaartroute tussen Holland en Zeeland: de Bernisse, aan de rand van het territorium van een van de voornaamste leenmannen van de graaf, de heer van Putten. Deze heer inde in de tol van Geervliet een heffing van wijn en brood in natura  of in de geldelijke waarde daarvan.

Er ressorteerden 14 tolwachten van Holland en Zeeland onder Geervliet, onder andere een voor ons bijzondere tolwacht, namelijk die van Vrouwkensvaart.

 

De tol van Gleede.

Gleede, ook wel geschreven Gley, Glee, Galee of Geley, komt pas laat in de bronnen voor en was zowel de naam van een waterloop, als van een zeer klein eilandje daarbij of aangelegen. Beide dankten hun ontstaan aan de Elisabethsvloed van 1421 en 1424. De ligging is aangegeven op enkele kaarten uit de eerste helft van de zestiende eeuw, zoals op de kaart van de Zuid Hollandse Waard van omstreeks1520.

Duidelijk is te zien dat het eilandje Gleede lag aan het begin van de kil van Bonaventura, in de grote watervlakte waarvan thans nog het Hollands Diep resteert.

De vroegst aangetroffen vermelding van de Gleede als waterloop dateert uit 1436, toen een scheepsknecht er in verdronk.

Tolheffing te Geervliet en aan de wacht van de Gleede was ook tijdens de Jonker Fransen oorlog en de afscheiding van Sluis in 1492 een moeizame zaak.

Op 23 augustus van dat jaar deden Rooms-koning Maximiliaan en aartshertog Filips van Oostenrijk een mandement uitgaan waarin zij eraan herinnerden dat men geen andere vaarroutes mocht gebruiken dan die langs Geervliet en de Gleede liepen. De schippers voeren rechtstreeks het Maasgat uit of vielen vanuit zee via de ‘Kyelsdijck’ langs Goedereede binnen. De wacht van de Gleede passeerden ze daarna door voorbij de Zwaluwe of door de moeren te varen.

Dat was nog niet alles; men gaf zijn goederen niet aan of gaf ze niet naar waarheid op, men streek zijn fok of zeil niet, waardoor de veerschuit van de tollenaar hen bij veel wind niet kon achterhalen. Er waren schippers die riepen “waervoeren zouden wij strijcken, wij zijn vrij”; anderen riepen “wij en willen niet strijcken, wij varen op ons goed recht”; weer anderen zelfs “willet weten, volcht ons nae”.

 

De tol van Almsvoet / Dubbelmonde.

De grafelijke tol te Almsvoet wordt in 1250 voor het eerst vermeld. Onder de tollenaars die graaf Floris V in 1274 aanschreef komt er een te Dubbelmonde voor; een tollenaar te Almsvoet ontbreekt in die opgave. Beide vermeldingen betreffen dezelfde tol.

Almsvoet was gelegen waar de Alm, een riviertje dat het water van het land van Altena afvoerde, in de voormalige (Oude) Maas uitmondde. Tegenover deze monding lag op de zuidoever de plaats Almonde. Even ten westen hiervan lag Dubbelmonde, tegenover de plaats waar de waterloop de Dubbel zich van de (Oude) Maas aftakte om onder langs Dordrecht lopend via de Waal weer in de Maas uit te monden.

De tol te Almsvoet zal oorspronkelijk bedoeld zijn geweest om het handelsverkeer, dat via de stromen van de latere Grote Waard Holland binnenkwam of uitging , voornamelijk over de (Oude)  Maas en in mindere mate over de Alm die in het toen nog aan Kleef leenroerige Land van Altena ontsprong, aan een heffing te onderwerpen.

 In het jaar 1319 was overigens bij Almonde en Dubbeldam reeds een veer.

 

De tol te Gorinchem.

In het jaar 1422 is er sprake van een rekening van deze tol,echter zonder de plaatsen van herkomst van de schippers te vermelden.

In het jaar 1478 is de rekening vollediger en worden genoemd: de namen der schippers, plaats van herkomst, de lading in het ruim van het schip en het tolbedrag, wat voor ons meer interessant is. Het type schip wordt maar sporadisch genoemd en dus is het moeilijk te bepalen waar de ‘moerkanters’ hun turf mee vervoerden.

De  Waspikse schippers van 12 ½ hoeve en ook andere turfschippers betaalden voor hun turf te Almsvoet totdat deze tolplaats verdween tengevolge van de Elisabethsvloed in het jaar 1421. De tolheffing werd toen verplaatst naar Geertruidenberg, maar met de inning van het tolgeld heeft het niet willen vlotten..

In zijn rekening over het boekjaar 1474-1475 tekende de rentmeester van Zuid Holland aan, dat de inwoners van ’s Gravenmoer en het ambacht van 11 ½ hoeve weliswaar op grond van hun privilege geacht werden van elk schip turf dat zij vertolden, groot of klein, twee penningen Hollands aan tol moesten betalen, maar dat zij dit, na de verdwijning van de tol te Almsvoet en de verplaatsing van deze naar Geertruidenberg , nog nooit hadden gedaan.

 

De tol van Geertruidenberg.

 

              

                                                                     Gravure Geertruidenberg 1573.

 

Deze tol is zeker 13e eeuws. In de keur van ’s Hertogenbosch van 1213 worden de burgers van ’s Hertogenbosch vrijgesteld van tolbetaling te Geertruidenberg. In de taxatie van de opbrengsten van de grafelijke goederen uit 1281 neemt de tol een zelfstandige plaats in. Deze tol was voornamelijk een landtol op het handelsverkeer van en naar het land van Breda, wat blijkt uit het genoemde tarief dat wagens, karren, paarden en runderen opsomt en het wegverkeer van en naar Breda noemt.

De scheepstol die te Geertruidenberg geheven werd, gold voor de schepen en niet voor de lading. Per schip dus, werd tol betaald.

In het jaar 1388 is er merkwaardig genoeg sprake van een nieuw gevestigde tol te Geertruidenberg. De eerste afzonderlijken pachtbrief van deze tol dateert pas van 1415, toen de stad hem in handen kreeg omdat de vorige tollenaar zijn zaken niet goed voor elkaar had. Genoemd tarief dateert uit de jaren 1357-1358.

 

De tol te Ammers, sinds 1398 te Schoonhoven.

De tol te Ammers wordt voor het eerst vermeld in vermoedelijk februari 1221, toen graaf Willem I een renteleen ten laste ervan aan een van zijn leenmannen schonk. Deze tol diende om het goederenverkeer tussen het Neder- en Oversticht, Gelre, Groningen en Friesland en de nog verder weg gelegen noord oostelijke gebieden enerzijds en Holland - Zeeland anderzijds aan een heffing te onderwerpen. Hij was gevestigd dichtbij de plaats waar de rivier de Lek het graafschap binnenkwam tegenover de plek waar het riviertje de Ammers in de Lek uitmondde.

In december 1397, na de dood van de laatste afstammeling van Jan van Henegouwen, vervielen onder meer de stad en het baljuwschap Schoonhoven aan de leenheer. De toenmalige graaf Albrecht verplaatste terstond de tol van Ammers naar Schoonhoven.

 

Het  veen en de turf.

Laten we eerst een kijken naar het materiaal waar dit verhaal grotendeels om draait: de turf.

 

                                                        

                                                                 De turfsteker bezig met zijn stikker.

 

Het veen.

Door de eeuwen heen, zijn meters dikke lagen veen gevormd. Talrijke planten van diverse soorten hebben de grondstof gevormd voor het steeds groeiende veen. Eeuwenlang heeft de mens, door toedoen van deze lagen zijn kille bestaan kunnen verwarmen.

Drie factoren zijn voor veenvorming van belang. Dat zijn vocht, water en toetreden van de dampkringslucht.

Veenstof: “een mengsel van nog niet vergane overblijfsels van planten met delfstoffelijke bestanddelen, die er zich in hebben opgehoopt”.

De opvattingen inzake veenvorming zijn in de loop der tijden nogal eens veranderd en nog zijn de ‘geleerden’ het er niet helemaal over eens.

Veenvormers zijn, heel in het algemeen, die planten die, in een vroeger of later stadium van veenvorming, door verrotting het veen mee helpen vormen. Dat kunnen verschillende soorten mos, gras, heide, biezen en riet zijn. Ook verschillende boomsoorten kunnen lagen in het veen vormen. Het was een reeks van planten die er aan meewerkte. De gewone turfgraver kende als veenvormer enkele mossen en vroeg zich, bij zijn harde arbeid, niet af hoe al die planten in de turf wel zouden heten.

In Noord-Brabant worden de venen “moeren” genoemd overeenkomstig met het Duitse ‘moor’.

Lagen organische stoffen in vele jaren opgehoopt door afgestorven planten, die door afsluiting van lucht niet geheel verrotten, maar een ontledingsproces ondergingen, waardoor er naar verhouding meer waterstof en zuurstof aan onttrokken werd.

Wanneer men het heeft over veen, moet men wel bedenken dat men in de regel met turf iets anders bedoelt. Turf wint men uit veen en is de benaming voor het product dat ontstaat na te zijn gedroogd.

Veen bestaat uit een bonklaag, de bovenste laag van gras en heide, vervolgens het grauwveen, dan het zwartveen en tenslotte de overgangslaag tussen het zwartveen en de daaronder liggende bodemlagen van bv. klei, leem of zand.

 De dikte van de veenlaag kan zeer verschillen en variëren van enkele decimeters tot 10 meter. In ons land is de meest voorkomende dikte 1 – 5 meter. Op sommige plaatsen in het oosten van Drenthe echter is de veenlaag wel 7 meter dik geweest. De dikte van de laag hangt af van de vochtigheidsgraad van het veen en zal bij afwatering minder worden; slinken.

 

Hoogveen en laagveen.

Hoogveen werd afgegraven, gestoken en op stapeltjes gezet om te drogen, de zogenaamde stuken of stuijken. Hoogveen ontstond boven de grondwaterstand en bestond voor een groot gedeelte uit veenmos.

 

                            

                                                                                   Stapelen

 

Laagveen, ontstaan onder de grondwaterstand, werd gebaggerd met de moer- of  baggerbeugel , uitgespreid op het land en na enige tijd met het slagijzer in repen verdeeld en daarna in brokken gesneden. Dit veen bevat ook veenmos.

Het baggeren van de turf gebeurde ook met behulp van schuiten , wanneer het water breder was zodat men er van de wal af  niet bij kon komen. Men schepte de ‘bagger’ dan in de schuit, deze werd dan op de wal uitgespreid, aangetrapt en vervolgens, na droging, verwerkt.

 

                                            

                                                                             De veender (Luijken)

De gereedschappen van de veenders.

Bij de winning van de turf werden diverse gereedschappen gebruikt, waar we hier kort op ingaan.

De greef                                  waarmee de turf werd gestoken.

De baggerbeugel of –ijzer       om de turf onder water op te baggeren.

Het klotschupje                       waarmee de bagger of klot werd verdeeld en glad gezet ,waarna deze werd aangetrapt.

Het slagijzer                           waarmee deze bagger in repen werd gesneden en dan in stukken werd verdeeld van turfgrootte

Er waren zeker nog meer gereedschappen, die per streek gebruikt werden

 

                                         

Verzameling H. Smits

Enkele gereedschappen turfwinning v.l.n.r. slagijzer, moerbeugel (zonder net en steel) en greef.

 

De turftonsters.

Als het dan zover was dat de turf kon worden verscheept, verschenen de turftonsters ten tonele. Zij maten de turf met behulp van een ton, alvorens de turf werd geladen in de schepen met behulp van turfmanden.

Deze vrouwen moesten een eed afleggen, waarvan de tekst in het Rechterlijk archief van Cleijn Waspik bewaard is gebleven uit het jaar 1556 op 26 juli.

Hier de namen van deze vrouwen uit 1556 en 1559

Mary Goossen Claesz

Marijke Zegers

Lijn Jan Mertens huysvrouw

Heyl Peer Joeperts wed e

Heylke Adriaan Melis huysvrouw

Marijken Jan T(onleesbaar)ses

Neil Denis Jans huysvrouw
Jacob tert Peterss

Lijn Peer Lemmens wed e

Heyl Toen Mertens Lauwrijs wijf.

 

In het jaar 1559

Antken Ceelen huysvrouw

Lijs Donderbuien wed e

Heijl Teuwen

Jacob G(onleesbaar) huysvrouw

 

                               

                                                                                 Akte turftonsters

Rechterlijk archief Cleijn Waspik.

 

De eed.

Eed te Waspik gedaan door tonstere (turftonsters).

“Conditien ende voorwaarden daar die tonstere binnen Waspijck hare eedt op gedaan hebben opte XXVIen  julij XVc  ses en vijftickg (26 juli 1556 dus).

Dat wij vullen sullen een sleijke ton sonder die turve daer met hande in te drucke ofte te stoote ende daer een sleijke mande op gestuijck, ende gene den cooper dat daer op blijft ende datter af valt sullen wij den moerman laten sonderdat wij die torven die afgevallen zijn in schippersmanden werpen of rapen sullen ende dat wij geen bedroch tsij meer of min in den tal turf doen en sullen ende wie (onleesbaar) hier yet tegen bevonden wort op peijne te verbueren van thien ponden aan den baelian, so dich al hij bevonde worde contrarie te doen behalve die correctie van hare quade eedt die reserveert die Heer aan sijn selven”.

 

 De turftonsters, die de turf met behulp  van een ton afmaten stonden zoals gezegd onder ede. De turven werden met de handen in de ton gedaan. Hetgeen er afviel werd niet meegeteld en bleef aan de eigenaar van de moer, hier genoemd de moerman en ze mochten deze afgevallen turven niet in de schippersmanden werpen. Dit zullen de manden zijn geweest waarmee de turf aan boord van het schip werd gedragen. Ze moesten geen bedrog plegen op peijne (straf) van 10 ponden.

Contrarie betekent tegenwerken en quade eed is het zich niet aan de eed houden.

 

De tonnen gebruikt door de turftonsters waren verschillend van inhoud omdat het gebruikte tonnen waren, die eerder voor andere doeleinden dienden. Iedere stad of streek had zijn eigen tonmaat.

Harington                      139 liter      60 tonnen was een last

Hamburger bierton        169 liter

Grove ton                      210 – 222 liter

 

De maten van de turven waren per streek verschillend, daarom zijn de gegeven afmetingen slechts een indicatie van de maat.

De plaatselijke omstandigheden speelden hierbij een belangrijke rol.

In Holland wordt in de 16e eeuw een maat genoemd van 5 x 8 x 12 cm.

In de Peel is 15 x 12 x 38 een gevoerde maat

Veendam  heeft een turfmaat van 15 x 15 x 42.

De turf voor industriële doeleinden, voor brouwerijen bijvoorbeeld 14 x 14 x 40.

Kalmthout geeft 40.000 turven als zijnde 4 lasten.

 

          

Het laden van een turfschip, waarbij het stapelen gebeurd door vrouwen. Te zien is een turfton en een turfmand.

 

De bestemming en de vracht van de turfschippers.

We zullen nu eens gaan zien waar de turfschippers van de Moerkant zoal naar toe voeren en wat ze geladen hadden.

Allereerst de rekening van de tollen te Gorinchem, Schoonhoven en Gleede.

Hier volgen de ontvangsten van Capelle in de Langstraat, Sprang, Waspik, Raamsdonk ’s Gravenmoer en Drimmelen. In het bijzonder de ontvangsten van de tolwacht te Vrouwkensvaart, indertijd een gehucht tussen Waspik en Capelle. De rekeningen zijn natuurlijk maar een fragment van de totale vrachten die vervoerd zijn. Er werden allerlei goederen vervoerd. Veel van de in de tolboeken genoemde schepen vervoerden turf. Enkelen vervoerden vee, graan of rijshout. Rijshout was wilgenhout dat voor velerlei doeleinden werd gebruikt o.a. in de waterbouw.

Veel tolboeken zijn verloren gegaan.

 

De rekening van de tol te Gorinchem.

Capelle                                                                                            tolbedrag Vlaams

Pieter Heinricxz

eiken planken

2 okt 1478

8 gr

Jan Adriaansz

4 last turf

18 juni 1518

4 gr

Wouter Arentsz

4 last turf

23 sept 1518

4 gr

Elias Pietersz

500 tonnen turf

18 juni 1480

4 gr

dezelfde

500 tonnen turf

10 juli 1480

4 gr

dezelfde

500 tonnen turf

19 aug 1480

4 gr

Airt Clais

½ vim tenen (wilg)

 

 

 

100 tonnen duivenmest

20 nov 1480

4 gr

Een man

300 tonnen duivenmest

24 mei 1481

8 gr

                                                                                                                              

Wat hier opvalt is dat het tolbedrag van 4 last turf en 500 tonnen turf voor beiden 4 groten is. Vermoedelijk was 4 last gelijk aan 500 tonnen.

Sprang.

Adriaan Gerrijtsz

1 ½  last turf

3 okt 1480

-

Pieter Wouters

2 last turf      

26 okt 1480  

2 gr

 

Raamsdonk.

Thonis Gillisz

2 beesten

7 nov 1480   

-

 

In Raamsdonk werd ook turf gestoken. Er werd echter geen turf  gevonden in de tolboeken hier besproken omdat turf gestoken werd  in de periode vóór 1480. Wel werd hier in de periode rond 1500 veel rijshout op schepen geladen. Het rijshout moest worden geleverd op ‘scheepsboord’, wat wil zeggen aan boord van een schip gebracht, o.a. voor Breda . De schepen lagen aan de Groenendijk onder Oosteind bij Oosterhout of in de Kille, dit was een natuurlijke geul in Raamsdonk. Deze Kille liep van noord naar zuid en mondde uit in het scheepsdiep, later het oude maasje genoemd. De monding  was ongeveer halverwege tussen Hermenzeil en Keizersveer.

Groenendijk lag aan de Donge, pas in 1675 kwam hier een haven.

 

Drimmelen.

Jan Hubertsz

3 hoed zomergerst

9 okt 1478

6 gr

Neel Corssen

4 last turf

20 mei 1480 

4 gr

Pieter bondinz

4 last turf

20 juni 1480

4 gr

Cornelis Kerstens

4 last turf

17 aug 1480

4 gr

Elant Pietersz

5 last turf

13 sept 1480

4 gr

Cornelis Kerstensz

4 last turf

22 sept 1480

4 gr

Pieter Claysz

3 last turf

24 sept 1480

3 gr

Pieter Kerstensz

3 last turf

24 sept 1480

3 gr

Jacob Huger

3 last turf

3 nov 1480   

3 gr

Jan Cleys

4 last turf      

21 nov 1480

4 gr

Cornelis en Pieter

Kerstkens     

7 1/2 last turf

6 dec 1480

6 gr

Cornelis Corstensz

4 last turf      

23 maart 1481

3 gr

Adriaan Korstkensz

5 last turf

26 april 1581

4 gr

Adriaan Korstkensz

1 ½ vim rijs   

16 mei 1481

9 gr

Adriaan Claysz

4 last turf

18 mei 1481

3 gr

Gerijt Adriaansz

3 last turf

25 mei 1481

3 gr

Pieter Jansz

3 paarden    

16 juni 1481

4 gr

 

 

’s Gravenmoer.

Adriaan Heijnezoon

3 kleine beesten binnen Gorinchem gecoft

8 april 1480

2 ½ gr

Willem Willemsz

3 runderen , 1 paard

3 nov 1480   

3 gr

Aernt Pietersz

4 last turf

12 dec 1480 

3 ½

Jan Jansz

5 last turf

29 mrt 1480

-

 

Waspik.

Jan Vestairs

2 paarden    

19 feb 1479 

4 gr

Jan Goertse 

4 last turf      

12 aug 1518

4 gr

Thijs Willems

4 last turf      

10 aug 1518

4 gr

Pieter Govartsz

4 last turf      

28 aug 1518

4 gr

Pieter Goertsz

4 last turf      

14 aug 1518

4 gr

Pieter Gerritsz

4 last turf      

7 sept 1518

-

 

De rekening van de tol te Schoonhoven.

 

Drimmelen

Jan Heijnen

5 ½ last turf  

13 nov 1480

4 ½ gr

Jan Boyensz

3 last turf

21 dec 1480 

2 ½ gr

 

De rekening van de tol te Gleede.

 

Drimmelen.

Cornelis Claesz

1 schip hooi 

16 mrt 1532

0.6.0

Goessen Dircsz

8 vim rijs       

27 mrt 1534  

0.12.0

 

De rekening van de tolwacht te Vrouwkensvaart.

 

De tolwacht te Vrouwkensvaart ontving in het jaar 1532 aan tolgeld

5 lb   = ponden

11 s   = schellingen

4 d    = penningen

4 d gr = groten

In het jaar 1533/1534 was het totaal, aan het einde van het boekjaar in september:

7 lb

103 gr vl

 

                                       

                                                                        Een deklast turf rond het jaar 1900

 

Wat betreft de schepen met 4 last turf of daaromtrent nog het volgende:

In Brabant en dus waarschijnlijk ook aan de Moerkant stonden turfschepen in de 16e en 17e eeuw bekend onder de naam ‘pleyten’, wat schepen waren van 14,4 meter lang en 2,4 meter breed met een inhoud van circa 20 m3 en een laadvermogen van 4 last turf bij een deklast van twee voet hoogte 40 m3. De pleyten werden voortgetrokken (gejaagd) of geboomd. Ze hadden geen zeilen.

In Venloon (Loon op Zand) voeren ook pleiten met turf. Peter Peeters van Scouwen van Loon op Zand verklaarde in het jaar 1436, dat de predikheren van den Bosch het recht hadden om met pleiten een venloonse vaart te gebruiken tussen zijn erf, aan beide zijden en ter lengte van dat erf. Deze pleiten zullen waarschijnlijk gevaren hebben vanaf Venloon naar den Bosch.

In het archief van de abdij van Tongerlo is een bestek gevonden van zo’n pleyt van 64 voeten lang en wijt in de bodem 3 voeten en 1 duim.

In de loop van de 17 e eeuw werden de schepen groter; 50 tot 60 m3 inhoud.

De voornoemde pleyten moeten we niet verwarren met de Vlaamse pleyt, dat een in België gebouwd schip was en ook in onze streek; Waspik, Raamsdonk en Capelle, veel voorkwam.

Het Vlaamse hooi- of pleytschip werd in de 17e eeuw gebruikt voor het vervoer van hooi o.a. naar Brussel

 

          

 

Deze pleyten hadden de volgende afmetingen:

Lengte 23 tot 27 meter, breedte 4,80 tot 5 meter, diepgang 1.90 meter, tonnenmaat 125 – 180, geen turftonnen.

 

Er is ook turf vervoerd met de geubel, die in onze streek voorkwam. Van deze schepen is tot op heden weinig of niets bekend.

We zijn dit schip in de tolboeken niet tegengekomen, wel in boedelscheidingen in het Rechterlijk archief van ’s Gravenmoer en Waspik in de 16e  en 17e eeuw.

Enkele voorbeelden van een inventaris:

27 dec 1605 Laureijs Rutten geubel met zeil, mast en touwen.

18 jan 1606 Anthonis Cornelissen Colff geubel met toebehoren, een aak en verschillende geubels. In deze akte wordt de geubel ook gebruikt als maatvoering; 5 geubels grauwe turf en 1 geubel vleetturf.

1611 Jacob Adriaenssen Cuijper een geubel.

17 feb 1616 Ghertruit Stevensdr een geubel

1618 Cornelis Adriaen Borsten een geubel met toebehoren, een aak waarmee men turf vlet (vervoert) naar de geubel, die meer diepgang had en daardoor niet bij het moerveld kon komen.

5 juni 1623 Een geubel of turfschip.

 

                               

 

 

De avonturen van enkele sprangse turfschippers anno 1478/1481

Jan Jansz. Rembout Heynricxz mit huere medeplegers10, alle van der Sprange in Zuythollant ende dairomtrent11, die tsamen van huys gecommen zijn , voir den tolle van Gorinchem, elk met een bosch pleytken houdende hondert tonnen turfs of daarontrent, biddende oirlof omme mitten selve turf haer merct te versoucken tot Worichem alzoe die turf lycht goedkin was ende tot Gorinchem niet gelde en woude, welk oirlof him voir den voirs tolle gegeven was, welke die voirs turflieden tot Worichem liggende ende tot hueren wille niet mogende vercoipen, hebben gevaren onder die vyanden mijns genadigene heeren tot Bommel ende daarontrent, wairaf zij of eenige van him int wederomme commen up Lovesteyn gevangen waren, also dat zij van deselver sake composeerden12 mitten ruyteren of bewares van den slote aldair in den name van mijnen genadigen heere.

Ende want zij aldair gecomposeerte hebbende noch al verduchtende waren voorbij den tol van Gorinchem voirs niet vrij of onbelet te mogen passeren, overmits dat zij oirlof gebeden hadden tot Worichem te lossen ende was genouch te presumeeren dat zij anders in den zin hadden, hebben boven der voirs. eerste composicie van Loevestein, de voirs. tolnair  betailt tusschen drie ende vierhondert tonnen des turfs voirs., die in die tijt weerdich wesen mochten der drie tonnen 1 braspennijck, belopende voir 350 tonnen 116 braspenningen dup [er]13; facit         7       5       10

                            Lb     s        d

10. Mit huere medeplegers is in de plaats gekomen van: mit Aert Jansz van Enden, Jordin Jansz, gebroederen.

11. Alle ……dairomtrent is toegevoegd. In de margine staat dan ook: Verclaere waar zy thuys behoerden .

12. In margine de aantekening: Verclare de grote van deser composicie.

13. Betekenis onbekend.

 

       

 

 

Enige uitleg over de Sprangse turfschippers.

Jan Jansz., Rombout Heynricxz, met hun medeplichtigen, allen uit Sprang in Zuythollant en omgeving, die samen na hun vertrek van huis bij de tol van Gorinchem kwamen, elk met een Bosch pleitken (een scheepstype) geladen met ongeveer honderd tonnen turf, ze vroegen toestemming om met die turf naar de markt in Woudrichem te gaan, omdat die turf van matige kwaliteit (lycht goedkin) was en in Woudrichem (waarvoor toestemming gegeven was door de genoemde tol) niets opbracht.

De turflieden, die toen in Woudrichem lagen en hun turf niet zoals ze wilden daar konden verkopen, zijn toen naar vijandelijk gebied van onze genadige heer gevaren, naar (Zalt)bommel en daaromtrent, waarvoor zij of enkele van hen tijdens het terug varen, op Loevestein gevangen waren gezet, zodat ze over die zelfde zaak een schikking moesten treffen met ruiters of bewakers van het slot (Loevestein dus) aldaar (die onderhandelden) uit naam van mijn genadige heer. En omdat zij daar een schikking bereikt hadden waren ze bang (beducht)  dat ze de genoemde tol van Gorinchen niet vrij en ongehinderd (onbelet) zouden mogen passeren, omdat ze om toestemming gevraagd (gebeden) hadden om in Woudrichem te lossen en er was genoeg (reden) om te veronderstellen, dat zij iets anders van plan waren. (Ze) hebben bovenop de genoemde eerste schikking op Loevestein, de genoemde tollenaar (voor de) tussen drie en vierhonderd tonnen van de eerder genoemde turf die in die tijd waard waren (waarvoor ze  toen moesten betalen) per drie tonnen turf 1 braspenning, samen voor 350 tonnen 116 braspenningen.

Eerste regel: i.p.v. medeplichtigen stond oorspronkelijk de gebroeders Aert en Jordin Jansz van Enden.

Composeren                  = schikking tot afkoop van een straf.

Worichem            =  Woudrichem

Presumeeren        =  vermoeden, aannemen, ervan uitgaan, veronderstellen.

Braspenning                  = 10 duiten.

1 oort                            = 2 duiten. Dus 8 duiten in een stuiver en 160 in een gulden.

Volgens de lijst: Uitgaven van de tol te Gorinchem, waren er 15 ruiters op Loevestein.

De heer Willem van Egmond was kapitein en kastelein (kasteelheer) van het slot Loevestein in deze tijd.

 

Turf en hout voor Delft.

De houtschepen en de Brabantsche turfponten kwamen in Delft via het kanaal langs de Schie,dat rond 1340 was aangelegd. Sinds 1390 kwamen ze via de Delfthavense Schie.

De turfpont was een zeilend vrachtschip, gebruikt om turf te vervoeren. Er waren onder meer de dijnop of  Veense turfpont, de zevenhuizense en de Brabantsche turfpont.

 

                      

       Ets turfpont Reinier Nooms 1652-1654 Rijksmuseum.

 

 

 

De veenlieden uit de dorpen aan de moerkant werden soms vertegenwoordigd door de plaatselijke schout.

Voor de in de 16e eeuw aangevoerde turf over de Maas was een aparte plaats in de stad gereserveerd zowel voor de schepen als de turfwagens.

Kleine turfschepen zoals de aalman en de schouw legden elders aan in Delft.

Delft kende in de Middeleeuwen ook een belangrijke houtmarkt alwaar het hout, waarschijnlijk uit Brabant, werd aangevoerd. In de stadsrekeningen van Delft werd genoteerd dat hout uit Mechelen kwam en door een Bredase koopman werd geleverd.

 

Turfmarkt te Dordrecht.

In het jaar 1401 en in 1418 kreeg Dordrecht voor een zekere tijd een zogenaamd ‘octrooi serviel’. Dit octrooi werd diverse malen, doch steeds met aangepaste voorrechten, herbevestigd.

In feite had Dordrecht zich een monopolie toegeëigend, dat alle turf gedolven in het baljuwschap Zuid Holland naar haar markt gebracht moest worden.

Als de turf niet binnen drie dagen verkocht werd, mocht de schipper doorvaren naar een andere markt.

Op de markt van Dordrecht had de stad het recht accijns op de turf te heffen. Tegen dit zelfverklaarde monopolie was veel verweer van de turflieden, die elders een betere prijs konden maken. Met name Gouda en de Zuid Hollandse dorpen Waspik en Capelle verzetten zich ertegen.

 

                        

                                                                                                Een Venus.

 

De informacie van 1514.

De informacie van 1514 is een belangrijke bron met betrekking tot Holland en West Friesland, wat het tegenwoordige Noord Holland is. De gegevens in deze bron werden in opdracht van de Staten verzameld met als doel de relatieve economische draagkracht van dorpen en steden te bepalen. Zodoende hoopte men tot een meer rechtvaardige verdeling te komen van belastingheffing. Met naam genoemde vertegenwoordigers van de steden en dorpen werden volgens een strak stramien gevraagd naar zaken als het aantal haardsteden (woningen), de aard van de bedrijvigheid, de oppervlakte van het land en de accijnzen. Het onderzoek van 1514 bestreek een groter gebied dan de eerdere enquête  (Enquest 1494).

Uit de Informacie vernemen we aangaande de turfaccijns, dat de bewoners van Waspik, die veel turf aan het Hollands stedengebied leverden, van de turf te Dordrecht geen accijns betaalden “maar de Hollandtsche steden als, Delft, Schiedam en Rotterdam namen daerof den 16en penninck” (Informacie P 532).

De inwoners van Waspik verzwegen, dat de accijns in Delft in die tijd (16eeeuw) niet de 16e doch slechts de 20e penning bedroeg.

De inwoners van het nabijgelegen Capelle waren nauwkeuriger; zij verklaarden van hun turf accijns te moeten geven “te Delft, te Rotterdam ende elders den 26en ende 20en penninck, dat hun zeer zwaar viel”.

Omtrent de gang van zaken bij het innen van de accijns nog het volgende; De vroeg 16e eeuwse stadskeur van Delft bepaalde dat de tonsters, de door de stad aangestelde en beëdigde turftelsters, vóór zij een schip zouden mogen lossen, de turfschipper eerst bij de ontvanger van de accijns moesten laten inschrijven. Wanneer het schip was gelost dienden zij, alvorens ze een nieuwe opdracht mochten aanvaarden, met de turfschipper bij de ontvanger te komen, teneinde aan te geven, dat het werk volbracht was. De accijns werd dan door de schipper betaald; doch ”indien zij tot eenighe brouwers (bierbrouwers) gelost hebben, sullen mede gehouden zijn te commen tot den excijsenaar ende laeten den turfman doerdoen”. Dat de naam van de schipper in het laatste geval werd doorgehaald “doerdoen” vormt een aanwijzing dat hier, evenals in Gouda de aan de brouwers geleverde turf vrij van accijns was.

Uit de informacie nog enkele details:

In Waspik waren in het jaar 1514  75 haardsteden en er woonden 250 communiekanten, zodat het inwonertal zeker niet hoger dan 400 geweest zal zijn. Een derde van de bevolking leefde “van den arme” zoals men dat noemde.

In Waspik lagen 20 turfschepen, in Capelle 53 á 54 stuks. Het verschil in aantal tussen Waspik en Capelle zou te maken kunnen hebben met het feit dat Waspik “een deel cleyn sceepkens” niet meetelde, van 100 of 150 turftonnen, zoals men dat in Capelle deed.

Geertruidenberg had met Meede (Made) ende Stuyvesant 10 of 12 heudeschepen en 2 turfschepen.

 

                       

 

Alle dorpen geven als middel van bestaan de turfnering, slechts Raamsdonk en Besoyen kenden enige landbouw en ’s Gravenmoer had wat licht weiland; hooibouw wordt niet gemeld.

In de gewone jaarbede, waarin het land van Zuid-Holland 4.000 ponden moest bijdragen waren de zes dorpen aangeslagen met bedragen van 20 tot 34 pond per jaar. Alle hadden echter met uitzondering van Sprang enige vermindering gekregen. Waspik betaalde jaarlijks  24 ¾  i.p.v. 25 pond. Dordt kon zich het geven van kortingen veroorloven omdat de bieraccijns was gehandhaafd.

Gedurende de oorlogen met Gelderland waren nog een aantal buitengewone beden aan de landsheer toegestaan, waarin Dordt in de jaren 1508, 1509, 1512 en 1514 de dorpen liet meebetalen. Naast deze algemene oorlogslasten drukten er nog bijzondere op de dorpen. Waspik had tijdens de oorlogen gedurende drie jaren krijgslieden in kwartier en onderhoud gehad zonder dat er enige vergoeding voor ontvangen was. Sprang maakte duidelijk, dat in een tijdsverloop van drie jaren meerdere malen gedurende periodes van soms wel drie maanden 100 tot 300 soldaten ingekwartierd waren geweest. Dit dorp schatte de totale last hiervoor op 1.500 Rijnsgulden, dat is gelijk aan 250 ponden en ruim achtmaal het door Sprang verschuldigde jaarbedrag van de bede. Voor Waspik zal het wel niet minder geweest zijn. De aan Dordt verschuldigde quote in de bede werd in de dorpen omgeslagen over alle inwoners en alle niet-inwonende grondeigenaren. De totale gegoedheid van elke ingezetene gold daarbij als maatstaf; men schatte de waarde van zijn roerende en onroerende goederen, zoals gronden, huizen, have, vee, schepen, enz.

De omslag over de grondeigendom van elders woonachtigen leverden vaak moeilijkheden op, omdat zij in hun woonplaats al belastingen betaalden, weigerden zij elders mede te dragen. Een plakkaat van Karel V van 6 juli 1515 stelde nadrukkelijk vast, dat stedelingen ook in de dorpen, waar zij grond bezaten, in de belastingen moesten bijdragen.

Desondanks moesten commissarissen van het Hof van Holland nog in 1522 bemiddelen in een geschil tussen het dorpsbestuur van Waspik en enige Geertruidenbergse burgers, die te Waspik gronden bezaten. De aanslag door Waspik aan de Bergenaars opgelegd bleven gehandhaafd, doch het dorp moest aantonen dat deze niet te hoog gesteld waren.

Een omslag over gronden alleen, zoals elders geschiedde, was in de Langstraat in 1515 niet mogelijk omdat grote gedeelten van de reeds uitgedolven moeren bestonden uit putten en kuilen, die bij hoog water onderliepen.

Hiermede raken we een andere bron van inkomsten: de waterkering. Raamsdonk, Waspik en Capelle vermeldden grote onderhoudskosten voor de (Lang)straat, die bij hoge vloeden nogal schade leed. Te Capelle was de dijk of straat kort vóór 1515 weer eens doorgebroken en een brug weggespoeld. De herstelkosten van deze brug schatte men op wel 100 ponden.

Naast al deze lasten hadden de dorpen nogal te lijden van het economische overwicht dat de stad Dordrecht over het platteland van Zuid Holland bezat.

Hertog Albrecht van Beieren, ruwaard van Holland, wees op 9 december 1377 de stad Dordrecht aan als de marktplaats voor alle turf uit de Grote Waard. Dordt verkreeg daaruit behoorlijke inkomsten, omdat zij van iedere last turf welke uit de stad werd gevoerd drie Holl. Schellingen mochten heffen.

Ondanks dit privilege zal toch turf uit de Langstraat naar elders zijn vervoerd, waartoe diende anders de turfvaart, die vóór 1388 op gezamenlijke kosten  van Holland en Brabant van ’s Gravenmoer naar ’s Hertogenbosch werd aangelegd?

De dorpen aan de Moerkant zullen het Dordtse recht van turfmarkt overtreden hebben. Het bracht de stad er ná de St. Elisabethsvloed toe haar economische evenwicht op andere wijze te verstevigen. Zo sloot zij op 14 augustus 1437 een verdrag met Gorinchem, waarbij de laatste plaats zich verbond de benodigde turf niet aan de Moerkant maar in Dordt te kopen. Deze overeenkomst werd op 21 augustus 1445 nog eens met 10 jaar verlengd.

Ernstiger voor de economie der dorpen was de eerder genoemde invoering van accijnzen op bier en turf, welke Dordt sedert 1468 mocht heffen om de verminderde quote in de bede ad 5.000 ponden van 30 groten per jaar te kunnen opbrengen. Vanaf die tijd moest van iedere last blanke of zwarte turf resp. 1 of 2 groten en van ieder vat bier dat de dorpelingen verbruikten 2 groten betaald worden.

Om dit voorrecht te verwerven had de stad kosten noch middelen gespaard; steekpenningen en handgelden aan leden van het Hof zijn daarvan de stille getuigen.

Vooral de accijns op turf was een te zware belasting voor de dorpen waar de turfwinning en turfhandel de enige peilers der economie vormden. De inwoners van Drimmelen, ’s Gravenmoer, Waspik en Capelle weigerden de turfaccijns te voldoen, waarop Dordt hun roerende goederen in beslag liet nemen, meerdere personen gevankelijk wegvoeren en op een wijze alsof het oorlog was de schepen, touwen, zeilen en gereedschappen vernielen. De “povres et simples laboureurs” der vier genoemde dorpen deden schriftelijk hun beklag bij de Grote Raad te Mechelen, Volgens hun berekening bracht een last turf op het land liggend slechts 4 groten (2 patard) op, zodat de turf voor 50% belast was. Zij ageerden ook tegen de bieraccijnzen, waarvan zij de invoering onredelijk achtten omdat de burgers van Dordt niets voor de door hen gedronken bieren betaalden.

Op 14 juli 1515 werd de belasting van 3 stuivers op elk vat bier van die van de Moerkant in de Langstraat, in hunne dorpen gedronken wordende, opgeheven.

De Langstraat  maakte, evenals Dordrecht, deel uit van het graafschap Holland; vóór de vloed van 1421 behoorde Dordrecht economisch tot Brabant.

De turf die vanaf de Moerkantse dorpen naar het Hollandse stedengebied werd gevoerd , heeft men mogelijk aangeduid als Brabantse turf. Daaraan zou de naam van een Delftse gracht ‘de Brabantse turfmarkt’ ontleend kunnen zijn, ook genoemd pontenmarkt.

Ook in Schiedam werd turf aangevoerd uit de dorpen. In de eerste helft van de 16e eeuw werd daar verordend dat men van de “Brabantsche turf” dienende “totter brouwerije, zou geven ten exsijs van ’t last, 2 groten”.

 

De thol te Waspik in de 18e eeuw.

In het  RA van Groot Waspik is sprake van een tol:

Ingaande den 1 juni 1731.

Uitgaande den 31 mey 1741.

“De gecommitteerde Raden van de Edele Grootmogende Heeren Staten van Holland ende Westfrieslandt gesien het versoek bij Requeste aan haar edele mogende gedaan bij schouwt ende Gerechten van groot Waspick ten derende omme wederom opnieuw voor eenen anderen tijdt van jaaren te hebben vrijdom in den tholle ende acte in forma haar daar toe verleent te werden etc”.

Er is bovendien sprake van een concept tholbrief, die gaat over de “opgesetenen” van Waspik. Het is voor de schippers van Waspik, een ontheffing voor betaling van bovengenoemde tol.

Verder tot op heden niets meer van deze tol gevonden in de archieven.

 

In de 18eeeuw is er nog wel wat moergrond te vinden, doch als we in de akten van het rechterlijk archief te rade gaan vinden we nogal eens uitgedolven moergronden.

27 september 1740.

Alsoo d’heer Guilhelmus Louwen in zijn leven gewezen rooms pastoor alhier deser wereld is overleden sonder wettige descendenten naar te laten ten versoeke desselfs erfgenaam”.

2/3 van circa 4 hont uitgedolven moergrond alhier belend

Oost Cornelis Wijdemans cs.

West Heyltje Bogers cs.

Zuid de dwarsvelden.

Noord het oude vaartje, met nog een reepke moergrond daar teynde gelegen, breet een roey streckende uytten zuyden van ’t oude vaartje af noordwaarts in tot de ackers toe.

Alsoo het uytgedolven is NIHIL dwz. geen belasting te betalen.

Guilhelmus Louwen was pastoor van de schuurkerk die toen in Benedenkerk stond.

Sonder wettige descententen is zonder erfgenamen.

Een hont is een landmaat ter grootte van 100 vierkante roeden. Er waren Rijnlandse roeden als lengtemaat 3,7674 meter, Amsterdamse roeden 3,6807 meter, wat niet veel verschil maakte.

Een Nederlandse roede is 10 meter; als vlaktemaat, dus als landmaat 14m2. Er gaan 700 roe op een hectare.

 

In het jaar 1800 is er nog sprake van verpachting van moer:

Conditie en voorwaarden waar naar Paulus Timmermans voornemens is ten overstaan van schout en schepenen van Groot Waspik publiek en voor alle man aan de meestbiedende sal laaten verpagten eenige cavelen moer van twee Brabantse roede  de lengte en voorts 10 deselve  in de Bijster alhier gelegen afgereet en aangewezen is.

De betaling zal moeten geschieden in handen van de secretaris van Groot Waspik op den Eerste November deses jaars 1800, met (onleesbaar) silvergeld oft gouden ducaten.

De verpachting geschied om guldens van xx stuiver het stuk dog indien er pagters in gebreke mogte blijven om pront op den 1e nov 1800 te betaalen sullen na dien tijd gehouden zijn boven haar pagt penningen te betaalen twee van iedere gulden waarvoor de borge zo wil voor de pagt penningen aanspreekelijk zullen zijn

de pagters zullen boven haar uit te loven pagt penn gereet en contant moeten betaalen in handen van de secretaris voorn eene (onleesbaar), agt penn van iedere gulden voor …….. gelden van schout schepenen secretaris ……. niet de conditie gelden. Meerdere en mindere penn naar advonand  zonder daarvoor iets aan haaren pagtpenningen te mogen korten.

De pagters zullen haar gebod moeten staan op een bod van (onleesbaar) gulden etc”.

De bovengenoemde 28 pachters worden met name genoemd etc.

Ook de borgen staan daarbij genoemd, voor sommige pachters zelfs twee.

“Aldus deze verpagting regtelijk geschied ten overstaan van Joh. Hub. de Bont, schout.

Thomas Ketelaar en Mathijs van Dusseldorp schepenen.

In kennisse van mij P. v.d. Meer, secretaris.

Op deze 6 may 1800, alhier getekend.

 

                      

                                                                                        Een Turfschuit.

 

Turf in de 19e eeuw.

In de regel kocht de turfschipper in de 19e eeuw de turf, die hij oplaadde in het veen en deed die dan “in den vreemde “ op eigen risico van de hand.

In de Peel verschenen in Helenaveen in de jaren 1861 en volgende, veel vrachtschippers, meest uit ’s Gravenmoer. Zij vervoerden de droge turf voor 5 of 6 cent per ton naar Tiel, Druten, Gorcum, Dordrecht en den Brielle.

In de rechterlijke en notariële archieven van Waspik en ’s Grevelduyn Cappel, komen we in de 19e en 20e eeuw turf  tegen bij boedelinventarissen en verdelingen. In de meeste, zo niet alle gevallen zal hier sprake zijn geweest van turfsteken voor eigen gebruik, al waren er natuurlijk ook handelaren in een dorp die de turf aan huis bezorgden.

In de laatste wereldoorlog werd ook nog turf gewonnen in onze streken, vermoedelijk door middel van de baggerbeugel.

 

Notarieel archief Capelle.

‘Verkoping van moer van 19 mei 1832’.

Dit gebeurde openbaar door notaris Roeland Middelkoop op zaterdag de 19e mei op verzoek van de heer Arnoldus Johannes Josephus de Roy van Zuijdewijn, rentenier wonende te Vrijhoeven Cappel.

Men sprak dan van kavelen moer en de verkoop geschiedde onder bepaalde voorwaarden.

Artikel 1.

 De kopers zullen hun gekochte kavelen direct moeten aanvaarden. De kavels worden afgebakend.

Artikel 2.

De moer zal moeten worden uitgestoken, regt op en neer zonder de sloten te ondermijnen of onderheuld. “op peene van dubbelde pacht” dit wil zeggen dubbel betalen voor straf.

Artikel 3.

Iedere koper zal tot legplaats hebben zodanig veld als daartoe zal worden aangewezen.

Artikel 4.

De betaling der kooppenningen moet geschieden vóór of uiterlijk op de vijftiende augustus dezes jaar bij de notaris in zijn kantoor, in goede gangbare Hollandsche muntspecie. Wanneer niet op tijd wordt betaald, dan vindt een verhoging plaats van 10 procent.

Artikel 5.

De koopers moesten 2 welvermogende borgen ten genoegen van de notaris opgeven.

Artikel 6.

De koopers zullen direct na de verkoping moeten betalen 10% van de koopprijs, om het registratierecht, de zegels en het salaris van de notaris te kunnen afrekenen.

Artikel 7.

Over verschillen, over de verkoping of het bieden,  die kunnen ontstaan zal de verkoper of zijn gelaste optreden  en de partijen moeten genoegen nemen.

Artikel 8.

De koopers van de voorleggende moer zullen aan de achterleggende een bekwame rijweg moeten leveren voor de 24e juni of zullen moeten gedogen dat door hunne moer of turf gereden wordt zonder enige schadevergoeding.

Artikel 9.

Ingeval de te verkoopende moer niet naar genoegen van de verkooper mogte komen te gelden, zal het hem vrijstaan deselve op te houden.

Artikel 10.

De koopers zullen geen kwijtschelding of vermindering van de koopprijs mogen eischen bv. ter zake van zware regens, overstromingen of andere onheilen of ook ter zake van de kwaliteit en kwantiteit der moer of turf etc., etc.

Artikel 11.

Van bovengenoemde onheilen zijn uitgezonderd van Rijkswege gestelde innundaties, in dat geval zal de kooper billijk remise verlenen. Voor de 15e julie onder water gezet, dan hoegenaamd geen kwijtschelding

         Artikel 12.

Bij heffing van cijns of impost in de loop der jaren geheven eventueel regeling.

 

Dan volgt een lijst met de kopers, de woonplaats en het te betalen bedrag. Het waren 83 mensen meest afkomstig van Capelle en sommige van Loon op Sant.

Aldus vorenstaande verkoping gedaan op het land van de heer verkoper op dato en jare alsboven ter presentie van Arent Huysman, bouman en Adriaan de Jong, veldwachter beiden wonende te Capelle als getuigen hiertoe verzocht door deze notaris na voorlezing te hebben getekend.

Getekend Arent Huysman

De Jong

R. Middelkoop, notaris.

 

Beschrijving van enkele scheepstypen.

Het gaat hier over de houten schepen, die in Holland turf vervoerden.

 

Een samoreus of keulenaar

Een schip van 100 tot 300 lasten. 1 last is 2 Nederlandse tonnen; 2000 kg. Het schip van 300 last was lang 150 voet, breed 24 voet en hol 12 voet. Dit is in ellen 42,469 x 6,794 x 3,397. Die van 150 last had een lengte van 120 voet, breedte van 20 voet en was hol 11 voet, in ellen 33,795 x 5,662 x 3,114 en die van 100 last was lang 110 voet, breed 15 voet en hol 10 ½ voet is 31,144 x 4,246 x 2,972 ellen.

Een el was in 1830 een meter.

Deze gegevens van bovengenoemde samoreuzen zijn van ongeveer 1830, maar daar er soms eeuwenlang niets veranderde aan de houten schepen, zullen de maten niet veel verschillen met die uit het jaar 1600.

Met dit schip werd turf en hout vervoerd.

 

                   

                                                                                   Een Sammereus.

 

De aalman.

In het Leidse keurboek van 1450 vinden we de maten van de aalman. Van een aalman turf was te Leiden een vast accijns verschuldigd, van ieder groter vaartuig, ook van de aalman die aan de voorschriften niet beantwoordde, moest dubbel accijns worden betaald. Een aalman moest 34 ½ voet lang zijn (10,83 m.), binnenscheeps in de bodem 4 ½ voet breed (1,41m.) en 2 ¼  voet diep ( 0,71 m). De voorplecht moest 5 voet (1,57 m.)  lang zijn en de achterplecht 4 voet (1,26 m.). Indien het vaartuig aan deze vereisten voldeed, werd het met het stadsteken geijkt. Het ruim van het vaartuig was ongeveer 23 ½ voet (7,38 m.) lang en had naar schatting een inhoud van meer dan 7 m3. Daarin kon men 30 ton turf van 227 liter laden. Een belangrijk gedeelte van de totale lading kon daar nog bovenop gestapeld worden.

Het laden van de turf in zo’n scheepje was een zorgzaam werk, daar de turf op regelmatige wijze gestapeld moest worden.

 

           

                                    De hierboven afgebeelde eiker komt de venen uit, van de wind zeilende.

 

De turfeiker

Deze schepen werden het meest te Zevenhuizen, Waddinxveen en Nieuwkerk in het veen gebouwd. In vroeger jaren voeren deze vaartuigen meer op bepaalde plaatsen rondom Gouda en Rotterdam op de dorpen; doch rond  + 1830 door de verplaatsing der veenderijen vindt men ze overal. Ze zijn enkel in gebruik tot het overbrengen van de turf uit de venen en zijn daarom lang en smal in de bouworde, om in de gelegenheid te zijn, in de meeste polders hun lading in te nemen.

Hun grootte was van 400 tot 600 tonnen turf, de grootste met een bovenlast van 25 á 26 duim; de meeste laadden echter met gemelde bovenlast groot 500 tonnen. Het waren onbewegerde (niet betimmerde) schuiten, zodat men de inhouten kon zien. Het inwendige bestond uit ruim, voor- en achteronder. In het vooronder was gewoonlijk de stookplaats en een vaste kooi en bergplaatsen. Hun diepgang was, ongeladen 2 voet en geladen + 4 voet. Zij werden bevaren door schipper en 2 knechts. Daar het binnenvaartuigen waren, hadden zij een zeer eenvoudig tuig als één mast met een zeil, door hen het reezeil ook wel breefok genoemd en een stagfok op de voorsteven nederkomend. De mast was strijkende voor de vaart binnendoor.

 

                                        

 

De bok.

Deze vaartuigen hoorden te ’s Graveland en Ankeveen thuis en werden gebouwd te ’s Graveland. Zij brachten de turf aan uit de venen en het laadvermogen was van 18 tot 30 Ned. tonnen, met een bovenlast van 25 á 26 Ned. duimen. Deze scheepjes voerden het meest op Amsterdam en Utrecht en een enkel ook op elders, doch vanaf 1830 vindt men deze overal. Gewoonlijk werden zij bestuurd door schipper en knecht. Hun diepgang zonder bovenlast was 3 ½ voet en met bovenlast 5 voet. Het inwendige bestond uit een onbewegerde ruimte, een vooronder met stookplaats, vaste kooi (slaapplaats) en diverse bergplaatsen; dit was het logies van de schipper; een achteronder voor berging der zeilen en van touwwerk en tevens tot logies ingericht voor de knecht. Het tuig bestond uit eenen mast met een bazaanzeil of razeil en een stagfok. De mast was strijkende, voor het varen binnendoor i.v.m. bruggen.

 

Tenslotte.

Dit verhaal is ontstaan, na het bestuderen van de economische geschiedenis van het Beneden Maasgebied. Ik had nooit verwacht hier turfschippers van Twaalfdhalve hoeve tegen te komen en dan nog van vóór de Elisabethsvloed wat zeer interessant was. Ook de andere dorpen van de ‘Moerkant’ werden hierin genoemd.

Een transcriptie van een vidimus van de Kartuizers en een eed van de turftonsters, respectievelijk uit het Rechterlijk archief van Groot en Cleijn Waspik, die kwamen aanwaaien van buiten onze heemkundekring ,vormden een mooie aanvulling .

De transcriptie over de Sprangse turfschippers is gemaakt door Han Verschuren. Bedankt hiervoor Han.

 

 

De Bronnen:

Rechterlijk archief Groot en Cleyn Waspik.

Rechterlijk archief Raamsdonk en ’s Gravenmoer.

Notarieel archief Capelle.

De economische geschiedenis van het Beneden Maasgebied, met oa. De Rekeningen van de Hollandsche tollen 1422 – 1534.

Archief abdij Tongerloo.

De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der 16e eeuw door W.J. Diepenveen.

De informacie Fruin.

De geschiedenis van Waspik door G.J. Rehm.

De geschiedenis van ’s Gravenmoer door G.J. Rehm.

Scheepsafbeeldingen: G. Groenewegen, P, le Comte en Reinier Rooms.

 

Zomer 2015

Han Smits.

 

Terug naar Historie